Inleiding
De eigenaren van de boerderij in Abbenbroek hebben Res nova gevraagd Fiscaal verhaal© op te stellen voor hun woning die zij ingripend wensen te restaureren. Onderdeel hiervan vormt een onderzoek naar de cultuurhistorische waarden.
Ligging
De boerderij te Abbenbroek ligt aan de zuidoostelijke zijde van het dorp. Het complex toont een kleinschalige versie van de klassieke Vlaamse hoeve bestaande uit een grote langsdeel oogstschuur waartegen aan de voorzijde een woonhuis is geplaatst. Net als het authentieke type Vlaamse hoeve heeft zij de daknokken van beide volumes in dezelfde richting georiënteerd. Zij liggen niet in elkaars as, maar het woonhuis is met haar noordwestelijke gevel gelijk geplaatst aan dezelfde gevel van de schuur. Schuur, woonhuis dateren in hun eerste uitleg uit het einde van de achttiende eeuw. De keet is na de oprichting van het woonhuis toegevoegd.
De oorspronkelijke schuur is in 1855 vervangen door een schuur elders uit het dorp, de huidige schuur. De oorspronkelijke schuur was tegen de zuidoostelijke gevel nog niet voorzien van een afhang. Deze werd pas in 1915 aan de huidige schuur toegevoegd. In 1947, na de Tweede Wereldoorlog, is de achtergevel van de schuur vernieuwd daar de Duitse bezetter flinke gaten had geslagen in de zijgevel van de schuur en zo de stabiliteit had ondermijnd. Enige jaren later diende een groot deel van de afhang aan de zuidoostelijke zijde van de schuur vernieuwd te worden vanwege schade door de watersnoodramp in 1953.
Res novae
Uit het onderzoek zijn de volgende nieuwe gegevens naar voren gekomen:
- de kapconstructie is een relatief zeldzame gordingenkap, afgeleid van de Romeinse wijze voor het construeren van kappen
- de haard in het woonhuis was in het verleden, vóór 1900, voorzien van een hangboezem
- de keet en het turfhok zijn voorzien van een opvallende combinatie tussen oven, varkensketel en haard. De oven bevindt zich in het turfhok en bedienbaar is via een luik in de haard van de keet. De varkensketel bevindt zich in een rond gemetselde bak in de boengoot en kan verhit worden via een stookgat in de haard van de keet. Via een apart rookkanaal wordt de rook van het vuur onder de ketel terug geleid naar de rookvang in de keet.
De schuur
De schuur bestaat uit een langwerpig volume met een rechthoekige plattegrond. De interne constructie bestaat uit vier traveeën met daartussen een drietal dekbalkgebinten. Zowel de voorgevel aan het woonhuis als de achtergevel is opgericht in metselwerk van gele IJsselsteentjes, steens dik in kruisverband. De zijgevels zijn opgedeeld met tussenstijlen en aan de buitenzijde gepotdekseld. De kapspanten zijn afgeleid van de Romeinse methode om een kap te construeren: een zogenaamde gordingenkap. De gordingen worden ondersteund door een doorlopende boom vanaf de gebintdekbalk tot aan de nok waar deze samenkomt met zijn antigonant. Op deze wijze vormen deze bomen met de gebintdekbalk een driehoek die intern in iedere hoek is afgeschoord. De twee spantbomen zijn in het midden met elkaar verbonden door middel van een afstandhoudende balk. De kap is gedekt met holle pannen. Ter stabilisatie en om de kap tochtdicht te maken zijn aan de binnenzijde doorlopende strengen riet onder de pannen aangebracht.
De huidige schuur is echter niet de schuur die deel uit maakte van de eerste uitleg. Deze schuur werd in 1854, waarschijnlijk vanwege bouwvalligheid, gesloopt. Ter vervanging werd een schuur elders uit het dorp naar deze plek verplaatst. De oorspronkelijke schuur was enkele meters korter dan haar opvolger en ter plekke van de boen versmald. De "nieuwe" schuur is gedurende de Duitse bezetting in 1940-1945 scheefgezakt toen er zonder constructief inzicht door de bezetter "stijlen, liggers en een houten pui" werden uitgebroken.
Het onderzoek werd verricht door drs Jennemie Stoelhorst en ir Karl Pesch-Konopka met medewerking van ir Wim Beelen. Het werd collegiaal getoetst door dr Bernadette van Hellenberg Hubar.